Op een zonnige zondag, een paar weken geleden, nadat we eerst bij mij een kopje koffie hadden gedronken, ging ik met Kees, mijn beste vriend, een stukje door de stad hardlopen. We wilden eigenlijk naar het bos, maar er was aldaar een wolf gesignaleerd en dat leek ons geen goed idee. Kees ging direct hard van start, maar ik had een tijdje geleden een blessure opgelopen en ik zei nog tegen hem: ‘Laten we maar rustig aan doen, Kees.’
Het had eerder op de dag geregend en ik liep bijna in een grote plas. ‘Allemachtig,’ zei Kees, ‘daar had je toch bijna die dure schoenen van tweehonderd euro vies gemaakt.’
In ieder geval... Wij liepen weer verder en, je zal het geloven of niet, maar vlak voor ons zagen we een man met een lelijke muts op zijn hoofd de tas van een oude vrouw afpakken. Wij hoorden haar schreeuwen: ‘Help, ik ben bestolen, pak die man op, kom hier lelijke rakker, geef mij mijn tas terug.’ Wij renden naar de vrouw. Ze zei: ‘Ik schrok me een hoedje, die dief pakt pardoes mijn tas af, dat hebben jullie toch ook waargenomen, nietwaar?’ ‘Maakt u zich geen zorgen,’ zei Kees, ‘wij pakken die schelm wel op, dit probleempje is zo opgelost. Gaat u maar even zitten en dan zijn wij zo direct weer terug.’ De vrouw ging zitten en prevelde nog: ‘Allemachtig, dat dit mij nu weer overkomt.’
Enfin, wij liepen achter die rakker aan. Kees liet toen weten een idee te hebben. ‘Luister, wij laten hem steeds een meter of zes, zeven voor ons uit lopen en wij doen net alsof wij hem bijna te pakken hebben. Wij gaan niet vechten met hem. We laten die schavuit zichzelf helemaal kapot lopen en als hij dan niet meer kan, dan pakken wij de tas van die vrouw van hem af. Dan mag de politie hem komen arresteren.’
En zo gebeurde het ook. Wij renden achter die onverlaat aan. Wel vijf minuten, tien minuten. Na een half uur keek hij achterom en zei tegen ons: ‘Wat moeten jullie, willen jullie je wegscheren.’ Zei Kees: ‘Ik denk het niet, beste vriend, jij bent de dief hier, en wil je even voor je kijken!’ Toen, en je zal het geloven of niet, maar doordat die man steeds achterom keek naar ons, liep hij pardoes een sloot in. Wij bekeken hem heel even en toen trok Kees hem aan zijn achterwerk de kant weer op.
Toen zei die dief: ‘Poeh, zeg, hemeltjelief. Jullie zijn gek. En wie zijn jullie eigenlijk? Meestal loop ik iedereen er makkelijk uit.’
‘Dat zou best kunnen,’ zei Kees ‘maar wij zijn echte hardlopers. Als jij tasjes van oude vrouwtjes wil stelen en wij zijn in de omgeving, dan zou ik de maar heel snel wat anders verzinnen.’
Toen gaf die slechterik ons het tasje terug en zijn wij weer naar die oude vrouw terug gerend. ‘Dat is nu zo vriendelijk van jullie,’ zei ze. De vrouw wilde ons beiden nog een tientje geven, maar ik liet haar weten dat dit niet hoefde. ‘En,’ zei ze, ‘hebben jullie de politie gebeld?’ ‘Nee mevrouw,’ zei Kees, ‘we hebben meneer agent niet geroepen. Maar, en u zal het waarschijnlijk niet geloven, die man vond de achtervolging zo leuk dat hij later dit jaar met ons de marathon wil gaan lopen!’ ‘De marathon, wat ontzettend leuk,’ zei ze en ze liep de straat over en wuifde nog een keer naar ons. ‘Tot ziens, jongens.’ ‘Tot ziens, mevrouw, en wilt u voorzichtig zijn?’
Daarna zijn wij weer naar huis gerend en hebben later die dag in het café een paar pilsjes gedronken op deze heuglijke gebeurtenis. En straks de marathon, met ons drietjes, want onze nieuwe vriend, die we natuurlijk ‘Boef’ noemen, gaat met ons mee. U zult er van horen!
Tekst: Mulder van Mokum