Ontvlucht nu de steden, wie vreugde begeert! Langs de oever, verscholen tussen het riet, staat een eenpersoonstentje, merk Quechua. Van een zwerver, een visser misschien, een tot over de oren verliefd stel? Niemand te zien. Wie hier zijn schuilplaats heeft aangelegd, zorgvuldig uit het oog van de maatschappij, van al die andere mensen (behalve van een nieuwsgierige hardloper), bouwt voort op een lange, lange geschiedenis. Zo’n 15.000 jaar geleden woonden hier jagers-verzamelaars. Bij opgravingen zijn kampplaatsen gevonden, bijna elke zandrug rond Zutphen lijkt te zijn bewoond.
Ik loop verder, tegen de stroom van de Berkel in, richting Almen. Campings, vakantiehuisjes en aanlegplaatsen, alles staat klaar voor warmere tijden, voor kano’s en azwembanden, voor pret en vertier. Maar nu nog niet, vandaag is dit het exclusieve domein van knobbelzwanen, kuifeenden en zilverreigers. Argwanend kijken ze me na, vliegen op, slaan luid alarm of sissen naar mijn kuiten. Behalve de futen. Die hebben het maar druk, zwemmen naar elkaar toe, gooien hun kop achterover en zetten hun wangen op.
You can never hold back spring You can be sure that I will never Stop believing The blushing rose will climb Spring ahead or fall behind Winter dreams the same dream Every time
Hoe zou het met Tom Waits zijn? Jager-verzamelaar van verhalen. Lang zwierf hij rond, woonde in zijn auto en schreef voortdurend liedjes. Volgens zijn latere vrouw Kathleen Brennan maakt hij in feite maar twee soorten songs: grand weepers en grim reapers. You can never hold back spring hoort zonder meer bij de eerste soort. Vreemd genoeg zou het me niet eens verbazen als de scherpzinnige, gevoelige, sympathieke chroniqueur van de verdwaalden uit het tentje kwam gekropen.
‘Tom Waits?’
‘Dat hangt ervan af wie het vraagt, vriend. Waar zijn we hier?’
‘De Achterhoek.’
‘Klinkt als een plek waar je kunt verdwalen.’
‘Wat doe jij hier in een Quechua-tentje?’
‘Soms moet je ergens wakker worden waar je nog nooit bent geweest.’
‘Het is zo guur vandaag de dag, Tom. Is de lente echt nooit te stoppen?’
‘Ook al ben je de weg kwijt. De wereld blijft dromen van de lente.’
‘Dit is de vreemdste ochtend van mijn leven.’
‘Wil je iets sterks of blijf je rennen?’
Ik blijf rennen.
Ik verlaat de Berkel en loop door Landgoed Velhorst, langzaam richting Vorden. Het pad wordt nauwer, kronkelt kilometerslang door een verlaten bos. Kleine heuveltjes, omhoog, omlaag, hier geen rivierklei meer maar zand, een smalle houten vlonder over het Kienveen, boomwortels, diepe modderpoelen en nog meer zand, zand, zand. Ik versnel, hier hou ik van, geen stap is hier hetzelfde.
Een hond komt uit het bos tevoorschijn en steekt het pad over.
Een grote, grijze hond.
Een hele grote, grijze hond.
Wacht even, dit is geen hond.
Ik sta stil, pak instinctief een tak, kijk om me heen. Het dier lijkt verdwenen. Was-ie alleen, komt-ie terug, zijn er meer? Niets. Langzaam loop ik verder, mijn hand om de tak geklemd.
In 2010 schreef ik een column voor Runner’s World over de toen nog hypothetische komst van de wolf naar Nederland. Ik hoopte vurig tijdens een duurloop een wolf te mogen zien. Het mooiste aan hardlopen, schreef ik, is dichtbij de natuur zijn. Ik word al blij van een roodborstje, een wolf zou euforie betekenen. Geïnspireerd op een veelvuldig bekroonde western met Kevin Costner uit 1990, stelde ik me destijds een Dances-with-Wolves-scenario voor. Een ultraloper en een zwervende wolf treffen elkaar op een verlaten pad. Beiden schrikken zich het leplazarus, maar na wat omtrekkende bewegingen herkennen ze in elkaar hun zielsverwanten. Vreedzaam dribbelen Ultra en Two Socks richting the horizon.
Anderhalf decennium later is er van Two Socks geen spoor meer. Ultra gooit zijn tak aan de kant en dribbelt eenzaam richting de horizon.
Hier, in de buurt van Vorden en Wildenborch, dwalen niet alleen wolven. Dit is het land van de witte wieven. En van de Schelleguurtjesbelt.
Aaltje, zeventien jaar, leefde onder de harde hand van haar stiefmoeder Hente. Altijd maar werken. Geen fatsoenlijke kleren, geen rust, niets. Alleen op zondagavond voelde ze zich even vrij bij Gatjan, haar enige hoop. Maar hij wilde geld verdienen, misschien zelfs als soldaat. Wat als hij nooit terugkwam?
Op een ijskoude kerstavond stuurde haar stiefmoeder Aaltje door de sneeuw naar het dorp. De kou sneed door haar magere lijf, haar voeten brandden. Op de terugweg raakte ze de weg kwijt. Alles was wit, alles was koud. Ze raakte in paniek. Tot ze de Schelleguurtjesbelt zag. De heuvel opende zich, straalde in een warme gloed. Ze zag zilver, goud en edelstenen. Een oude vrouw, Schele Guurte, keek haar zachtmoedig aan. En voor het eerst in lange tijd voelde Aaltje hoop. Ze nam een zilveren kandelaar mee en rende weg. Net op tijd. De berg sloot zich met een dreun.
Het zilver redde haar. Ze trouwde met Gatjan, kocht een boerderij, was eindelijk vrij. Maar Hente, haar stiefmoeder, kon het niet verdragen. Groen van jaloezie zocht ze de heuvel op, graaide naar goud. De klok sloeg middernacht, de berg sloot zich. Haar schreeuw verstomde in de nacht.
Zeven jaar later opende de heuvel zich pas weer. Hente strompelde naar buiten, maar de wereld was veranderd. Niemand miste haar. Woede en wanhoop overweldigden haar. Van ellende veranderde ze in een zwarte kat. En op kerstavond, als de wind over de Schelleguurtjesbelt giert, zit ze daar nog steeds. Op schoot, bij Schele Guurte, gevangen in hebzucht.
Voorbij Vorden verandert het landschap. Akkers, boerderijen, lanen, landhuizen, weggetjes, bosranden, kronkelende beekjes. Het typische, afwisselende coulisselandschap, in vele honderden jaren door de boerenbevolking van de Achterhoek opgebouwd en ingericht, het is er nog steeds.
Ruim vijfendertig kilometer onderweg. Ik werk een reepje naar binnen en drink wat water. Mijn rechterhamstring voelt stram. Toen ik, vele jaren geleden alweer, leerde lange afstanden te lopen, kwam ik erachter dat je in zo’n geval drie dingen kunt doen: rusten, vertragen of juist versnellen. Ik besluit vandaag het laatste. Ik verander van ritme, denk niet na over de afstand, neem het landschap in me op.
Groot Brandenborch, Klein Brandenborch, Formerhoek, Rommelderdijk. Langzaam kom ik in de buurt van Ruurlo. Was hier niet ergens De Zevensprong opgenomen? De televisieserie naar een kinderboek van Tonke Dragt. Elke donderdagavond in het najaar van 1982 zaten mijn broer en ik aan de buis gekluisterd. Meester Frans raakt verstrikt in een mysterie rond een verborgen schat. De zoektocht leidt hem naar de zevensprong. En naar Geert-Jan, die verborgen wordt gehouden door een gruwelijke graaf. Samen met de kinderen probeert Frans het raadsel op te lossen.
Zodra ik bij Kasteel Ruurlo aankom, herken ik het huis waar de schat van de graaf verborgen was. Weemoedig ren ik over de oprijlaan naar de ingang van het kasteel. Voor het raam geen Graaf Grisenstijn, geen Gruwel, maar twee vrouwen. Ik zwaai. Ze zwaaien niet terug. Ach ja, een smerige landloper met baard, lange haren en een oorbel. Ik zou de ophaalbrug ophalen en zeker niet terugzwaaien.
Drieënveertig kilometer, genoeg voor vandaag. Op het smalle perron van station Ruurlo trek ik snel warme kleren aan en wacht op de trein terug naar Zutphen. Een vrouw met een kinderwagen, een jongeman met een dik boek, dertien giechelende pubers.
Aan de andere zijde van het spoor klinkt plotseling de zang van een merel. Tom Waits had gelijk. Ook al ben je de weg kwijt. De wereld blijft dromen van de lente.
OOK AL BEN JE DE WEG KWIJT.
DE WERELD BLIJFT DROMEN
VAN DE LENTE
Tekst: Tim van der Veer