Ga eerst eens meer halve marathons lopen, daarna praten we verder.” Woorden van mijn trainer. Ik wíl eigenlijk niet verder praten of nog meer ‘halve’ lopen. Ik wil een hele lopen. Geen idee waar die behoefte vandaan komt, maar ik wil gewoon verder. Van ultralopen heb ik in die beginjaren nog geen weet, wel van marathons. Dus dat wil ik.
Anderhalf jaar nadat ik me bij een hardloopgroep heb aangesloten, komt het ervan. Samen met een groepje vrouwen, bijna allemaal ouder dan vijftig jaar. Ik ook. Ik voel me niet vijftigplus. In tegendeel. Ik voel me jeugdig, sterk en ben er helemaal klaar voor. Ik heb het hele trainingsproces doorlopen tot aan de 36 kilometer aan toe. Nu kan ik gaan. En ik ga. Op een warme dag in Rotterdam in 2019. Het wordt geen supertijd, maar dat doet er ook niet toe. Ik heb het gefikst en het voelt goed. Mijn maatjes houden het de rest van het jaar voor gezien. Ik wil door. Eind dat jaar loop ik mijn tweede marathon. Op Terschelling.
Zo zit ik in elkaar. Als ik ergens door gefascineerd ben, ga ik los. Wil ik er ook alles over weten. Ik lees het ene boek na het andere over hardlopen, over marathons lopen. En al gauw volgen er boeken over alle mogelijke trails en races zoals de Barkley’s. Het kan dus nog verder.
‘IK VERDWAAL MINDER. HEB MEER GRIP’
Als behoorlijke einzelgänger hoor ik ineens ergens bij. Ik ben nog een beginner, maar die drive voor meer, voor verder, kan ik delen met soortgenoten. Lopers die niet van ophouden weten. Nog steeds heb ik geen idee waarom. Ik loop gewoon door. Ga meer trainen, voeg er krachttraining aan toe. Mijn lijf verandert. Zo ook mijn mind. Ik verdwaal minder. Niet alleen fysiek als ik een blok om ga, maar ook in het dagelijkse leven, in mijn gedachten. Ik weet beter koers te houden. Heb meer grip.
Ik voel me ook vooral mezelf. Ik neem geen rol aan. Ik loop gewoon. En thuiskomen na zo’n run voelt beter dan al het andere wat ik ooit gevoeld en gedaan heb. Dat is niet zo moeilijk want voelen staat voor mij vooral gelijk aan: pijn, eenzaamheid en verdriet. Nu wordt voelen lekker. Ik word er blij van. Dus snak ik naar meer.
Het vertaalt zich vier jaar en veel marathons later in die kans om met twee loopmaatjes een honderd kilometer te gaan hardlopen. De Dodentocht in België. Een meer toepasselijker naam kan ik niet bedenken. Als ik die tocht eens zou kunnen volbrengen, dan komen we ergens. Het is een enorme sprong van 42,195 kilometer naar honderd kilometer. Maar de uitdaging staat en we gaan ervoor trainen.
Van drie keer twintig kilometer in een etmaal tot zestig kilometer aan een stuk. Het lijf moet het leren, de geest moet het aankunnen. Soms zet ik tijdens een training, als het zwaar wordt, een liedje in. Na uren lopen heb ik daar toch nog de energie voor. ‘Annabel, het wordt niets zonder jou’, klinkt het dan over plattelandsweggetjes tussen weilanden door. Meteen een glimlach bij mijn twee maatjes. En we kunnen weer door.
We lopen tot midden in de nacht, met lampjes op. We lopen in een storm. We lopen bij hoge temperaturen. We lopen in alles. Ik voel me leeg en gevuld. Blij en uitgeput. Ik ben alles. Dit is wat ik wil.
‘HOE OVERLEEF JE DAT? NOU, NIET DUS’
De honderd start om negen uur in de avond. We lopen de nacht door. Over modderige bospaadjes door de urenlange regen. Ik zie de dag ontwaken in stille dorpen waar de krantenjongen en de bakker als eerste tevoorschijn komen. Ik loop langs de Schelde en door het bos. Ik knik naar een Mariabeeld achter glas, in een vitrine langs de route. Zou zij de verbinding zijn tussen het ongeziene en de wereld waarin ik rondloop? Ik wil zo graag weten en begrijpen.
Over hoe je je voelt als je weet dat je niet lang meer te leven hebt. Hoe overleef je dat? Nou, niet dus. In het geval van mijn vader. Een sportman. Schaatser bij de nationale kernploeg in de jaren zestig, wielrenner van het dorp aan zee. Hij verloor op zijn 37ste van het leven.
Ik ben het hier aan het winnen. Ik win het leven terug dat ik zo’n lange tijd op afstand heb gehouden omdat ik me er geen raad mee wist. Maar hier, in dat Belgische landschap waar het enige doel is: hardlopen en doorlopen, heb ik houvast. De eenvoud van het ‘zijn’.
Elk verlies en verdriet in mijn leven heeft zich op die eerste gestapeld toen ik als klein speels en enthousiast kind van 12 jaar, de vroege dood van mijn vader moest aanvaarden. Die stapel werd een berg. Die berg kan ik nu aan. Ik voel me sterk en tot alles in staat nu ik honderd kilometer hardlopen kan. Aan één stuk door. Dit is mijn medicijn bij rouw.
De finish van mijn eerste ultra blijkt de start van een nieuw hoofdstuk in mijn leven. Trainen, hardlopen, ze maken daar nu echt deel van uit. Zonder hardlopen is de rouw kaal, donker en zwaar. Met hardlopen is rouw levend, passievol en zelfs een beetje stoer. Rouw verdwijnt niet, maar ik kan er wel een goeie draai aan geven zodat het me niet in de weg zit, maar juist kansen biedt.
Dat jonge kind in mij wordt niet langer afgeremd, maar juist weer tot leven gebracht. Mijn verlate verdriet zorgt bovendien voor een enorm uithoudingsvermogen en doorzettingsvermogen. En dat komt verdomd goed van pas bij het lopen van een ultra.
HIJ VERLOOR OP ZIJN 37STE VAN HET LEVEN.
IK BEN HET HIER AAN HET WINNEN.
Tekst: Julia van Bohemen