
Zodra ik station Middelburg achter me laat, trekt de zon zich terug. De warmte blijft, maar de gouden hemelvlam en het zomerblauw van de afgelopen weken zijn plotseling verdreven door een grijze wolkenzee die over het zwerk golft. Het deert me niet. Niets kan de vreugde temperen die ik voel bij mijn terugkeer naar Zeeland. Wekenlang heb ik naar deze reis uitgekeken. Sterker nog. Wekenlang ben ik deze reis al aan het maken.
Terwijl ik via de Koningsbrug, de Londensekaai en de Segeersstraat het centrum inloop, is het weer 1993. Ik ben vierentwintig. In de trein heb ik gewerkt aan mijn afstudeerscriptie. Met grote stappen loop ik naar het stadhuis aan de Markt: laatgotisch, rood-witte luiken, boven op Malle Betje – de flamboyante toren met klok en carillon. Ik meld me bij de receptie en vraag naar haar. De man kijkt argwanend naar de grote pleister op mijn voorhoofd. Ik leg uit dat ik mijn geld verdien als dichter en zalenzetter. Bij één van die banen is een ongelukje gebeurd. Hij haalt zijn schouders op en belt naar boven. Kort daarop verschijnt ze. ‘Wat doe jij hier?’ ‘Jou bezoeken.’ ‘Kom je nu uit Utrecht?’ ‘Jep.’ Ik zie dat zij ziet dat ik zie dat ze bloost. ‘Je bent gek,’ fluistert ze. ‘Ik moet werken hoor.’ Er is gelukkig wel even tijd. We praten over onbenullige dingen, denken aan alles wat we niet durven te zeggen. Dan moet ze echt weer aan het werk. Ik pak de trein terug naar Utrecht. We zijn al lang uit elkaars leven verdwenen. Ze liep stage bij de gemeente Middelburg, voor haar opleiding Communicatie aan de Hogeschool Utrecht. Eenendertig zomers later ben ik manager van precies die opleiding en loop ik hier weer. Wie zei ook alweer dat reizen meer dimensies kent dan de fysieke?
Ik loop door het hart van Middelburg. Een stad die in de 9e eeuw ontstond als bolwerk tegen de Vikingen, in de middeleeuwen uitgroeide tot religieus en economisch centrum, en in de Gouden Eeuw na Amsterdam zelfs de belangrijkste VOC-havenstad was. Ze doorstond belegeringen, verval in de Franse tijd en een verwoestende brand in 1940. En toch staat ze er nog altijd: fier en hartstensvol verleden. Dit is de stad van de Maneblussers, een bijnaam geboren uit een nacht vol maanlicht en misverstand. Toen een beschonken inwoner dacht dat de Lange Jan in brand stond, rukte de brandweer uit. Maar er was geen vuur, alleen de maan die de toren deed gloeien. Sindsdiens dragen de Middelburgers die naam, spattend misschien, maar met een glimlach. Verder ga ik, over het Veers Jaagpad langs het kanaal door Walcheren. De stilte is weldadig, alleen het ruisen van de wind door de meidoornstruiken. Langs het pad zijn oude kanonnen als meerpaal ingegraven, roestige relikwieën uit een vergeten tijd. Ik klim over de dijk en laat mijn blik dwalen over de drassige graslanden, het domein van grutto’s, wulpen, kieviten en tureluurs. Zout water welt omhoog langs de dijk. In de zilte grond bloeien zee-asters, zeekraal en muizenstaartjes. Planten die weten hoe je moet leven op de grens van land en zee. Op een desolaat bankje, precies tussen Middelburg en Veere, is een bordje bevestigd:
Tekens
Tot waar het water was gekomen werden wieren neergelegd en resten van een vissersnet. En tussen weggespoelde wensen heb ik in strakgetrokken strand een meeuwenpen rechtop gezet.
Meeuwenpen. Een woord dat op je tong blijft liggen. Lang niet geproefd, maar meteen openbaart zich weer die buitengewone smaak. Taal en smaak, besef ik, behoren onmiskenbaar tot de dimensies van reizen.
Blijmoedig ren ik naar Veere. Het is druk in het kleine stadje. Toeristen struinen van de Grote Kerk, het stadhuis, de Schotse Huizen aan de Kaai, naar de Campveerse Toren. Wat ze niet weten is dat aan de gracht ooit een oud huis stond. Op de scheefgezakte gevel stond een griffioen. De inwoners van Veere liepen altijd met een grote boog om het huis heen. Ze fluisterden over schaduwen. Vroegere gasten zouden zijn vermoord door een gruwelijke waard en hun stemmen klonken nog altijd uit de muren. Maar niemand sprak er hardop over. Want de nieuwe eigenaar, Cornelis Griep, leefde ervan. Alleen vreemdelingen, gelokt met lage huur en uitzicht op het water, kwamen in het huis. Maar nooit voor lang. Op een gure novemberdag in 1836 kwam er een rijtuig aanrollen over de kasseien. Een lange man stapte uit, gekleed in een glanzend, zwart kostuum. Hij stelde zich voor als reiziger uit Londen. Hij kende het huis uit verhalen die men in de Engelse salons vertelde. ‘Ik ben niet bang voor geesten,’ zei hij koeltjes. Cornelis Griep overhandigde hem de sleutels. Samen betraden ze het huis. De vreemdeling wees naar een kast. ‘Daarachter hoorde men ooit valdeuren klappen, zegt men. En de stemmen van hen die nooit meer buiten kwamen.’ De eigenaar knikte. ‘De waard van De Griffioen was een man met bloed aan zijn handen. En zijn schuld zit nog steeds in deze stenen,’ zei Griep. Plotseling verstarde de blik van de vreemdeling. Zijn ogen sperden zich open, alsof hij iets zag wat niet van deze wereld was. Zijn adem stokte, gezeten door pure, rauwe angst. ‘Ik had hier willen blijven,’ stotterde hij. ‘Ik dacht niet in alle verhaaltjes te geloven, maar dit huis behoort niet tot onze wereld. Morgen zal het verdwijnen.’ Die nacht stak een storm op, heviger dan Veere ooit had gekend. De zee brulde, de wind sloeg tegen de daken, en het water steeg als een woedende geest. Toen de ochtend kwam, was De Griffioen verdwenen. Verzwolgen door de golven, alsof het nooit had bestaan.
Verder loop ik, langs de oever van het Veerse Meer. Daar aan de overkant, daar beleefden wij onze eerste vakantie als gezin van vier. Onze jongste was maar net geboren. Ik herinner me de gebroken nachten. De warmte van zijn lichaam op mijn borst terwijl hij zijn flesje leegdronk en vervolgens in slaap viel, zo diep dat ik soms mijn hand bij zijn mond en neus hield om vast te stellen of hij nog ademde. Ik herinner me hoe onze oudste, drie jaar, zijn geelrode bootje vulde met een krab als kapitein en slakken als passagiers. Hij trok ze met een touwtje door het heldere water van het meer. Ik herinner me hoe ik tijdens hun middagslaapjes ging windsurfen met windkracht zeven. En natuurlijk hoe ik rende van de Schortsman via de Ruiterplaat naar het Banjaardstrand, door de weilanden naar Kamperland en terug. Ja, natuurlijk, ook tijd is een dimensie van reizen.
Bij Breezand ren ik het strand op. Rechts voor me ligt de Oosterscheldekering, middenin Deltapark Neeltje Jans. Het blijft indrukwekkend hoe Nederland na de watersnoodramp van 1953 ongekend snel en resoluut tot een plan kwam om het land beter te beschermen. De Deltawerken worden wereldwijd bewonderd als een meesterwerk van waterbouwkunde en symbool van onze strijd tegen het water. De Oosterscheldekering, een wereldwonder, maar vandaag de dag ook steeds meer een zorgenkind: slijtage, onvoldoende beveiliging tegen sabotage en misschien niet voldoende bestand tegen zeespiegelstijging. De strijd is misschien nog niet gestreden.
Vijfentwintig kilometer heb ik erop zitten. Het strand is hier bijna verlaten: de luxe van hardlopen op een bewolkte, doordeweekse dag. Tussen dubbele rijen paalhoofden hobbel ik voort, maar het zand wordt zwaarder, zuigt me dieper bij elke stap. De wind blaast me terug, mijn rugzak drukt zwaar op mijn schouders. Langzaam beginnen mijn benen te branden. Dan neem ik een besluit. Ter hoogte van Oostkapelle doe ik mijn rugzak af, trek mijn kleren uit en duik het water in. Luctor et emergo. Het koude, zoute water spoelt in luttele seconden de vermoeidheid van me af. Een paar slagen door de branding en ik voel me herboren.
Nog voor Domburg loop ik de duinopgang op, ren door natuurgebied De Manteling naar Kasteel Westhove. Op het grasveld ervoor spelen groepjes pubers met zichtbare tegenzin spelletjes onder het wakend oog van hun docenten: een modern tafereel tegen een eeuwenoud decor. Na een bewogen geschiedenis – waarbij het kasteel diende als verblijf voor abten, werd bezocht door Floris V, Karel V en koningin Wilhelmina, en een rol speelde tijdens de Tachtigjarige Oorlog (waarbij het in 1572 deels werd verwoest door de Watergeuzen) – is het nu een hostel en herbergt het vele jonge reizigers. Maar wie hier slaapt, slaapt nooit helemaal alleen. Want sinds de brand van het jaar 876 verschijnt er in de nacht van 16 op 17 juni een vrouw in een wit gewaad op de torentrans. Daar zingt ze haar klaagzang, zuiver en tegelijk doordrenkt van pijn. Wie haar hoort, kan niet anders dan wenend, om alles wat ooit werd bemind en voorgoed verloren ging.
De laatste kilometers loop ik door de eindeloze velden van Walcheren. Aagtekerke, Grijpskerke. Uitgestrekte polders, strak in het gelid gelegd door eeuwen van inpoldering, doorsneden door sloten, kreken en dijken. De horizon is hier laag, slechts onderbroken door een eenzame molen, een kerktoren of een rij knotwilgen die voor altijd zijn gebogen door de wind. Er is hier werkelijk meer lucht dan land.
Wanneer ik Middelburg weer binnenloop, breekt de zon door. De mensen doen hun jassen uit, kinderen krijgen ijs, de terrassen lopen vol. Ik maak een laatste ronde door het hart van Middelburg, een ereronde, en keer dan terug naar het station.
Terwijl ik mijn rugzak afdoe en neerplof op een klapstoeltje, dringt het tot me door: het was Claude Lévi-Strauss, één van de grootste denkers van de twintigste eeuw, die schreef dat reizen meer is dan louter verplaatsing. Het is ook een verschuiving in perspectief, in tijd, een beweging door innerlijke landschappen. Natuurlijk is hardlopen reizen. Natuurlijk is hardlopen een fysieke verplaatsing, maar ook een ontmoeting met het vreemde en het vertrouwde. Een manier om jezelf kwijt te raken en opnieuw te vinden, om te begrijpen, om afstand te nemen van het vanzelfsprekende. Een oude geliefde die zachtjes mijn naam fluistert en me herinnert aan alles wat ik dacht te zijn vergeten.
Dit gedicht kwam ik tegen op een zijgevel in de Brakstraat in Middelburg:
POSEIDON
Ik, die aan zee geboren ben, wil nog graag geloven, machtige Poseidon, dat de zee onze eilanden draagt. In de zoute wellen, diep in 't land offeren we, ook al wordt daar onze roeispaan nog niet voor schepel aangezien, en als je woedt, Poseidon Asphalios, vastgegronde, wanneer de aarde steunt, de golven koken, dan ridderen wij radeloos. Bergen komen en gaan, een krater gaapt daar waar je heiligdom verrees – maar in de prille parelmoeren morgen na het geweld, staat daar onstuimig hinnikend je zoon, het vleugelpaard Pegasos klaar.
Hans Warren
Tekst: Tim van der Veer


