
Ted Corbitt (1919-2007) was de vader van het Amerikaanse langeafstandslopen. Wij zijn hem veel verschuldigd.
Hij wist dat hij opviel, als enige zwarte atleet in een wit deelnemersveld.
Hij was afgereisd naar een van de weinige high school track meetings, ergens in de Midwest, halverwege de jaren 30. Een getalenteerde tiener, die trots was dat hij zijn school mocht vertegenwoordigen op de 800 meter. Gedisciplineerd werkte hij zijn warming-up af, want zijn afstand ging over enige tijd van start. Dit ritueel had hij niet alleen nodig om zijn lichaam op te warmen, maar ook om de zenuwen de baas te zijn. Want hij wist dat hij opviel, als enige zwarte atleet in een wit deelnemersveld. Zoals bij elke track meeting waar hij kwam, voelde hij dat alle ogen op hem gericht waren. Als hij langsliep, hoorde hij het smoezen van omstanders die langs de kant stonden. Zachtjes om het niet letterlijk te kunnen verstaan, luid genoeg om te weten dat het over hem ging.
Ook dit keer herhaalde de geschiedenis zich. Hij was klaar voor de wedstrijd maar stond als enige deelnemer aan de start, tevergeefs wachtend op zijn tegenstanders. Die hadden zich allemaal teruggetrokken, kreeg hij te horen. Plotseling geblesseerd geraakt, zoals wel vaker voorkwam. Soms kreeg hij helemaal geen reden te horen, maar wist hij wel beter. Of hij kreeg de reden botweg wel te horen: wij lopen niet tegen een zwarte atleet. Ook dit keer vertrok Ted Corbitt onverrichter zake weer naar huis. Uren na zijn vertrek stonden alle witte atleten alsnog aan de start en ging de 800-meterwedstrijd door. Zonder hem, vanwege zijn huidskleur. Het tekent Corbitts karakter dat hij zich door discriminerende vernederingen zoals deze nooit uit het veld liet slaan. Het verdiepte alleen maar zijn verlangen om te slagen als atleet. Uiteindelijk zou hij met zijn benen spreken.
Fysieke weerbaarheid
Op 31 januari 1919 zag Theodore “Ted” Corbitt het levenslicht in Dunbarton, een klein plaatsje in het landelijke South Carolina. Het was een tijdperk waarin raciale ongelijkheid diep was geworteld in de Amerikaanse samenleving. Zijn grootouders waren tot slaaf gemaakt en zijn ouders werkten als boeren en leefden van het verbouwen van maïs en katoen. Het was een zwaar leven. De jonge Ted hielp mee op het land. De taken die hij kreeg voerde hij gedisciplineerd uit. Hij voelde zich verantwoordelijk voor zijn aandeel om als gezin het hoofd boven water te houden. Dit gevoel voor verantwoordelijkheid en doorzettingsvermogen werd later de basis voor zijn uitzonderlijke loopcarrière.
Corbitt was klein en tenger, maar door het zware werk op het land ontwikkelde hij een grote fysieke weerbaarheid. In het landelijke zuiden was transport schaars, waardoor hij vaak lange afstanden te voet moest afleggen. Hij rende door de akkers, naar school, naar het postkantoor en naar de naburige winkel. Kilometers rende hij iedere dag weer, over stoffige wegen, langs gele maïskolven en witte zeeën van katoen. Als hij rende voelde hij zich vrij en onbezorgd. Zijn liefde voor hardlopen werd daar geboren, op het schrale platteland van South Carolina, zonder dat hij toen wist hoe het zijn leven zou definiëren.
Dat Corbitt lopend naar school ging was niet alleen een praktische noodzaak. De hardnekkige segregatie in de zuidelijke staten zorgde ervoor dat voor zwarte kinderen nauwelijks schoolvervoer werd georganiseerd. Hoewel de slavernij formeel al sinds 31 januari 1865 was afgeschaft, investeerde de staat South Carolina in de jaren twintig en dertig nauwelijks tot niks in het vervoer van zwarte scholieren. Dit diepgewortelde racisme zou blijven terugkomen in Corbitts jonge leven. Het weerhield hem er nooit van om vooruit te blijven kijken.
Fascinatie voor de lange duurloop
Toen hij dertien was, verhuisde het gezin Corbitt naar Cincinnati in de staat Ohio. In deze nieuwe omgeving begon Corbitt zich op de Woodward High School te onderscheiden als een getalenteerd atleet. Hij liep korte en middellange afstanden en was vaak de snelste van zijn klas. Ondanks zijn prestaties was zijn deelname aan atletiekwedstrijden niet vanzelfsprekend. Sommige scholen weigerden simpelweg Afro-Amerikaanse deelnemers toe te laten. Dit was pijnlijk en vernederend, maar Corbitt liet zich niet uit het veld slaan. Het tekende zijn karakter: veerkrachtig, onverstoorbaar en vastberaden. Discriminatie werd de brandstof voor zijn sport. Corbitt trainde harder, liep vaker en bouwde geduldig aan zijn conditie. Wanneer hij geblesseerd was deed hij het rustig aan. Hij trainde dan niet op volle snelheid maar deed langere, rustige duurlopen. Deze duurlopen werden voor Corbitt een nieuwe fascinatie. Hij vroeg zich af tot wat zijn lichaam in staat zou zijn als hij zich goed zou voorbereiden op lang lopen, langer dan hij ooit voor mogelijk hield.
Deze nieuwsgierigheid kreeg een impuls toen hij in een krant las over Tarzan Brown, een Native American atleet die twee keer de Boston Marathon had gewonnen. Het idee dat een mens vrijwillig 42 kilometer kon hardlopen, maakte iets in de jonge Corbitt. Hij was vastbesloten het zelf ook ooit te proberen. In zijn ogen was het lopen van een marathon een grensverleggende prestatie – en het verlangen om die grens zelf op te zoeken, liet hem niet meer los. Om zijn grenzen te verkennen, deed hij steeds vaker mee aan wegwedstrijden die een gemoedelijker karakter hadden, vergeleken met de veel formelere en vaak gesegregeerde baanwedstrijden tussen high schools. Op de weg gold dat iedere loper gelijk was, er werd geen onderscheid gemaakt.
Hoewel hij steeds serieuzer ging trainen, bleef Corbitt zijn studie prioriteit geven. Hij behaalde in 1942 zijn bachelordiploma lichamelijke opvoeding aan de University of Cincinnati. Vervolgens diende hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Amerikaanse leger. Na zijn diensttijd verhuisde hij naar New York, waar hij aan de universiteit fysiotherapie ging studeren. In de avonduren, want overdag moest hij fulltime werken om zijn jonge gezin te onderhouden.
Omdat hij in deze drukke jaren minder kon trainen maar wel de binding met hardlopen wilde behouden, werd Corbitt lid van de New York Pioneer Club (NYPC), waar hij zijn hele leven lid van bleef. Deze progressieve loopclub was in 1936 opgericht om álle lopers, ongeacht ras, afkomst, geloof of geslacht, te ondersteunen in hun leven als hardloper en als mens. Dat laatste was zo mogelijk belangrijker dan de sportieve aspiraties van de club. Want de NYPC moedigde de jonge leden aan om hoger onderwijs na te streven. Zo zouden ze intelligente en maatschappelijk betrokken burgers kunnen worden. Door middel van sport en onderwijs streefde de NYPC naar een gelijkwaardigere en inclusievere samenleving. Daarom speelde de club vanaf zijn oprichting een belangrijke rol in de Civil Rights beweging voor gelijke rechten. Oprichter Joe Yancey en Corbitt werden vrienden tot de dood van Yancey in 1991. In de NYPC vond Corbitt alles wat hij verlangde: een club die als een thuis voelde waarin iedereen gelijk was en waar hardlopen voor verbinding zorgde.
In 1950 haalde hij zijn master fysiotherapie en kreeg daarmee ruimte om zijn droom te verwezenlijken: de Boston Marathon lopen. Informatie over trainen voor een marathon, trainingsschema’s of hoe de wedstrijd succesvol te lopen was in die tijd nauwelijks beschikbaar. Corbitt had ooit wat gelezen over de trainingsarbeid van de legendarische Emil Zátopek, het Tsjechische loopfenomeen. Hij mixte elementen van Zátopeks intervaltrainingen met zijn eigen ideeën over lange duurlopen, tempotrainingen en intervallen, en ging aan de slag. Hij trainde zes, soms zeven dagen in de week. Zijn kilometeromvang lag rond de 160 kilometer per week. Na een jaar trainen liep hij in 1951, op 32-jarige leeftijd, zijn eerste van de 22 Boston Marathons die hij zou lopen. Zijn tijd van 2.48.42 was naar de huidige maatstaven geen toptijd. Maar hij finishte daarmee als 15e in een sterk deelnemersveld. Het was een indrukwekkend debuut voor iemand die een jaar daarvoor nooit serieus lange afstanden had gelopen.
Op weg naar de Olympische Spelen en daar ver voorbij
Zijn debuut in Boston smaakte naar meer en Corbitt ging er helemaal voor. Binnen een jaar liep hij vijf marathons. Op 18 mei 1952 stond hij aan de start van de beroemde Yonkers Marathon, de op twee na oudste marathon van de US (Boston is de oudste). Corbitt werd derde met een tijd van 2.43.23. Waarmee kwalificeerde hij zich als eerste Afro-Amerikaan ooit voor de Olympische marathon, die dat jaar werd gehouden in Helsinki. Hij finishte als 44e in 2.51.09 maar zijn deelname was historisch. Het was een stille overwinning op het systeem van segregatie dat hem en andere zwarte atleten probeerde uit te sluiten uit de sport. Dit was pas het begin van Corbitts toewijding aan de loopsport. Hardlopen werd een way of life, zijn manier om af te rekenen met de discriminatie, segregatie en het racisme die hij had meegemaakt.
Na Helsinki ging Corbitt gerichter en meer trainen, met als resultaat een topjaar in 1954. In dat jaar verscheen hij vier keer aan de start van een marathon waarvan hij er drie won. De mooiste overwinning was voor hem de marathon van Philadelphia, op zijn verjaardag. Geleidelijk aan liep hij afstanden die verder gingen dan de marathon. De uitdaging trok hem aan, de zoektocht naar zijn fysieke en mentale grenzen – en deze verleggen – fascineerde hem mateloos. De hardheid, discipline en het doorzettingsvermogen, opgedaan in zijn jonge jaren op de boerderij van zijn ouders, bleken uitstekende eigenschappen om steeds verder en steeds meer te lopen. Want hij verkende niet alleen hoe ver hij kon gaan in wedstrijdverband, zijn trainingsregime begon indrukwekkende proporties aan te nemen. Trainingsweken met een omvang van 320 kilometer begonnen gewoon voor hem te worden. Soms, om zichzelf te testen waartoe hij in staat was, liep hij 480 kilometer in een week.
Die monsterachtige trainingsweken kwamen voor een groot deel door zijn woon-werkverkeer. Corbitt woonde in Yonkers, een wijk in het noorden van New York. Iedere dag liep hij naar zijn werk, het in Manhattan gevestigde New York Institute for the Crippled and Disabled. Hij werkte daar als fysiotherapeut en zou uiteindelijk 44 jaar in dienst blijven. Een enkeltje Yonkers-Manhattan was 24 kilometer. In de aanloop naar een ultrawedstrijd liep hij bewust een langere route naar zijn werk, zodat hij op zo’n 45 kilometer uitkwam. Voor de terugweg deed hij het rustiger aan met een route van slechts 18 kilometer. Een favoriete training was een volledige ronde om Manhattan, langs de waterkant – een afstand van bijna 50 kilometer, die hij soms twee keer achterelkaar liep. Zijn enorme kilometeromvang maakte van Corbitt een absolute wereldtopper van het ultralopen in de jaren zestig. Hij deed vijf keer mee aan de legendarische Londen-Brighton-race van 84 kilometer, het officieuze wereldkampioenschap. Drie keer werd hij tweede, één keer vierde en één keer vijfde.
In Amerika vestigde hij meerdere records op afstanden boven de marathon, waarvan sommige nog altijd overeind staan. Pas op zijn 55e begon Corbitts gezondheid hem parten te spelen. Hij kreeg last van astmatische bronchitis, wat hem dwong een stapje terug te doen. Maar stoppen deed hij nooit: hij bleef lopen – minder ver, minder snel, maar altijd met hart en ziel. Hij begon ooit met hardlopen, gemotiveerd door het plezier van competitie en de sensatie dat hardlopen voor hem vrijheid en spelen was. Op latere leeftijd bleef hij lopen, dagelijks tussen de 30 en 40 kilometer. Hij vertelde daarover dat angst hem dreef. Corbitt was bang dat als hij voor een bepaalde periode zou stoppen met hardlopen, dat hij nooit meer in staat zou zijn om weer te beginnen. Zijn benen mochten niet zwijgen.
Hij inspireerde zonder op een podium te staan
Wat Corbitt werkelijk uniek maakte, was dat zijn impact op de loopsport ver uitstak boven zijn prestaties als atleet. Hij was een pionier op het gebied van parcoursmeting. In de jaren vijftig en zestig stoorde hij zich aan het feit dat wedstrijdafstanden vaak onnauwkeurig waren. Tijdens een bezoek aan Engeland ontmoette hij John Jewell, een expert in het nauwkeurig meten van looproutes. De meting werd gedaan met een gekalibreerde meter op een fiets. Terug in New York paste Corbitt Jewells systeem aan en verfijnde het. In 1964 publiceerde hij een handleiding die de standaard werd voor parcoursmeting wereldwijd: Measuring Road Running Courses. Zijn aanpak, waarbij altijd 0,1 percent extra aan de gemeten afstand werd toegevoegd, is tot op de dag van vandaag de World Athletics norm bij het uitzetten van parcoursen.
Bovendien was Corbitt een van de medeoprichters van de New York Road Runners (NYRR), en van 1958 tot 1960 de voorzitter. Na de publicatie van zijn handleiding voor parcoursmeting kreeg hij een idee voor de New York City Marathon die een enorme impact zou hebben. De eerste editie van de New York City Marathon vond plaats in 1970, met 127 deelnemers die vier rondjes door Central Park liepen. Dat sprak weinig tot de verbeelding. Corbitt had grootse plannen, nu hij wist hoe je een parcours exact moest meten. De deelnemers aan de marathon moesten New York echt meemaken, niet opgesloten worden in Central Park. Hij kwam met het idee om het parcours door alle vijf stadsdelen van New York te laten gaan, zoals we de marathon vandaag de dag nog kennen. In 1976, het jaar dat de VS 200 jaar bestond, werd zijn plan werkelijkheid. Aan de start verschenen 2.090 lopers. Corbitt, inmiddels 57 jaar oud, liep ook mee.
Hij finishte ruim in de eerste helft van het deelnemersveld, als 848e. Eenmaal thuis pakte hij zijn schrift erbij waarin hij alles noteerde. New York, marathon no. 187, finish time 3.33.31, schreef hij. En na die eerste keer dat de marathon door alle vijf boroughs ging, groeide Corbitts geesteskind uit tot de iconische wedstrijd zoals we die vandaag de dag kennen. Met een afstand tussen start en finish, nauwkeurig tot op de meter. Dat alles dankzij een man van weinig woorden, maar grootse daden. Corbitt brak barrières zonder er ruchtbaarheid aan te geven, hij inspireerde zonder op een podium te staan. Als alfeer, fysiotherapeut, organisator en innovator heeft hij onuitwisbare sporen nagelaten in het hardlopen. Voor velen is hij de stille grondlegger van de moderne (Amerikaanse) loopsport. Zijn verhaal is er een van vastberadenheid, van grenzen verleggen en van het nooit uit het oog verliezen van je hartstocht – ongeacht de obstakels.
Ted Corbitt overleed op 12 december 2007, op 88-jarige leeftijd.
Dit verhaal kwam tot stand met medewerking van zijn zoon Gary Corbitt.
Tekst: Ramiro Amarelle


