Training

De triathlon wint de laatste jaren veel aan populariteit. Het voltooien van een kwart, halve of hele afstand staat op menig bucketlist. Van het drieluik zwemmen, fietsen en lopen is het laatste onderdeel vaak van groot belang. Ben ik kapot of heb ik nog over, en hoe gaan de wissels. We vroegen het aan Armand van der Smissen die veel ervaring heeft in duathlons en triathlons.

Armand van der Smissen was van oorsprong loper. In de sport duathlon (hardlopen-fietsen-hardlopen) werd hij tienvoudig nationaal kampioen en zevenvoudig winnaar van het nationaal duathlon circuit. In 2005 werd hij Europees Kampioen duathlon lange afstand. Met besttijden van 29.20 minuut op de 10 kilometer en 1.04.50 op de halve marathon liep hij bovendien vooraan mee in de nationale wegatletiek. Momenteel is hij begeleider en adviseur van diverse duathleten en triathleten.

Van der Smissen: “Het lopen wordt in de triathlon algemeen gezien als het zwaarste onderdeel. Ten eerste is daarbij de ademfrequentie hoger dan bij het zwemmen en fietsen en ten tweede is het het laatste onderdeel, dus je hebt inmiddels al wat energie verspeeld in de eerste twee onderdelen. Er kan veel tijd op gewonnen, maar ook op verloren worden. Negen van de tien keer valt tijdens het lopen de beslissing. Hardlopen is een belangrijke basis voor de triathlon.”

Direct na het eerste onderdeel moet al even gelopen worden van het zwemparcours naar de wisselzone waar de fietsen staan. Dat kunnen stukken zijn tot wel 500 meter met een heuveltje. Als je geluk hebt, ligt er tapijt over de weg ter bescherming van je blote voeten. Het echte looponderdeel begint echter pas na het fietsen.

Van der Smissen: “Een geoefende loper is kansrijker voor een goede triathlon dan een wielrenner of een zwemmer, omdat het lichaam van een loper gewend is aan de schokbelasting. Nadeel is dat lopers meer blessuregevoelig zijn dan zwemmers en fietsers omdat het lichaam bij het lopen meer schokken moet opvangen. Belangrijk voor een loper is dat het zwemmen en fietsen op reserve gaat zodat je genoeg overhebt voor het loopgedeelte. Je moet zo fit mogelijk van de fiets komen, want als de tank al redelijk leeg is, dan wordt het lopen lastig. Heb je echter nog over, dan heb je op het looponderdeel nog een goed wapen.”

De wissels in de triathlon worden ook wel het vierde onderdeel genoemd. “Die wissels moet je veel oefenen. In het begin voelt het lastig, zeker na het fietsen. Bij het fietsen en het lopen gebruik je dezelfde spieren. Die spieren zullen tijdens de wissel naar het lopen best protesteren, maar met veel oefenen kun je ook dat ‘vierde’ onderdeel onder de knie krijgen. Probeer dat bijvoorbeeld één of twee keer per week met een wisseltraining van 10 kilometer fietsen en daarna meteen een rustige loop van een paar kilometer. Als dat goed gaat kun je na verloop van tijd opschakelen naar een wat sneller looptempo. Zo train je het gevoel waar je bij een wedstrijd doorheen moet lopen op weg naar de finish van jouw triathlon.

Fotografie: Triathlon Holten

Door Bert Pessink

Bert Pessink is als speaker/infotainer sinds 1984 de stem van menig hardloopevenement in heel Nederland waaronder de Zevenheuvelenloop, de Dam tot Damloop, de Marikenloop, de Groet uit Schoorl Run, de 4 mijl van Groningen en de Amsterdam Marathon. Bovendien was hij speaker bij de EK Cross in 2005 in Tilburg en de EK Halve Marathon in 2016 in Amsterdam. Alle grote namen uit de wegatletiek passeerden in de afgelopen 30 jaar zijn microfoon.