Bloedsuikerspiegelbeeld

Het speelde in de dagen van onverschrokkenheid, van on-besuisdheid misschien. Dat dit nog jonge lichaam de cadans ontdekte, het ritme vond dat zijn benen al jaren als een goed geheim verborgen hadden weten te houden. Dat dat toch ook kwam vanwege een fascinatie voor wielrennen. Van elke klassieker kijken op tv, van de rafelige kleurenbeelden op de Sony Trinitron. Van de opwinding bij het zien van geblokte krachtpatsers met turbodijen in een massasprint. Of tanige berggeiten die de hellingen van Alpe d’ Huez opfladderden als speelse zwaluwen. Of Luik-Bastenaken-Luik in een storm van plaksneeuw en ijsafzetting. Zelfmoordafdalingen in de Tour de France met als enige bescherming een op de top van de col aangereikte en onder de koerstrui gepropte editie van L’ Equipe. Dat dat inspireerde en de aanzet vormde tot zelf willen wielrennen.
Nee, ik was er niet goed in. Te lang, te dun, te talentloos. Maar ik deed het. Op een veel te dure fiets. En dat zie je vaker natuurlijk: kosten noch moeite besparen, want aan het materiaal mag en kan het niet liggen. Een oud barrel was beter geweest, hoefde er geen excuus te worden gezocht. Met zo’n glimmend racemonster roep je de kritiek over je af. Nee, echt hard fietsen lukte niet. En dat terwijl ik er boeken over las, een abonnement had op Wieler Revue, ik verslond elke uitgave en zelf drie keer de Elfstedentocht fietste. En, o arrogante kwast, deelnam aan heuse wielerwedstrijden. Wedstrijden voor niet-licentiehouders dan. Wilde wedstrijden, verboden voor leden van de KNWU. Niet-startgemachtigden dus. In de praktijk bleken dat knoestige woestelingen en halve wildemannen. Boerenarbeiders, straatmakers, loodgieters en metselaars, doordouwers. Maar ook schaatsers die in afwachting van winterijs ’s zomers de tubes oppompten. Mannetjesputters allemaal. Daar kwam ik aan met mijn smetteloos witte Gazelle AA-frame. Na drie keer meegedaan te hebben aan zo’n wielerwildwest, zo’n rare rodeo rond de kerk ergens in een Fries dorp, stopte ik ermee. Met name het elke keer opnieuw uit koers te worden gehaald vanwege teveel rondjes achterstand sloopte mijn moraal. Bovendien had ik te weinig bravoure en vond ik mijn fiets te kostbaar.
Maar wat deden wielrenners eigenlijk in de winter? Wat als bittere kou en andere weerellende fietsen op de weg tot een hachelijke onderneming maakte? Tegenwoordig trek ik het bos in op mijn mountainbike, maar die bestonden nog niet. En van cyclocross of veldrijden had ik nog nooit gehoord. Tot ik in het boek Trainen voor Wielrenners las dat hardlopen een goede vervangende training zou zijn om de winter door te komen. Dus dat probeerde ik dan maar. Rechtuit over de parallelweg langs de autoweg de stad uit richting zuiden. Dan bij de benzinepomp rechtsomkeert. Drie kilometer uit en thuis. Hardlopen, merkte ik, is tot wel twee tot drie keer zo intensief als racen op de fiets. Voor een half uur hardlopen op niveau moet je toch al snel een uur, anderhalf uur flink doortrappen is mijn ervaring. Coureur zijn is immers vooral ook een zittend beroep. Al snel liet ik het wiel in wielrennen weg en ging ik alleen maar rennen. Of, zoals dat toen heette, trimmen.
Ik trimde me een ongeluk zodat anderen me al snel vertelden dat ik geen trimmer meer mocht zijn, maar een hardloper was geworden. Die promotie vierde ik met de aanschaf van een paar pittig geprijsde Nike Waffle-schoenen, met dat beroemde noppenprofiel. Destijds de Rolls-Royce onder de hardloopschoenen, werd gefluisterd. Niet zo moeilijk vergeleken met de bij de Bata aangeschafte Hevea zaalgympen waarop ik me in het begin bijna kreupel liep. Die dure Nikes bleken echter een hielkap van karton te hebben. Vandaar dat er, na langdurig in de regen te hebben hardgelopen, bruine drab in mijn sokken zat. Ook sleet de zool vrij snel. Het feit dat ik behoorlijk naar binnen liep, overpronatie, zal daar zeker mee te maken hebben gehad. Dus kocht ik ShoeGoo, sneldrogende rubberklodders in een tube. Die smeerde je op de slijtplekken, kon je weer even verder.
Ik liep hard en vond het prachtig. Toch, ook overmoed slaapt graag op des duivels oorkussen zou blijken. In die tijd liep ik in de avond hard. Dat is in principe logisch, de meeste lopers met een baan hadden zelfs geen keus. Ook atletiekverenigingen openden pas in de avond hun accommodaties, overdag kon je daar niet terecht. Toen in ieder geval. De meeste trimlopen en wedstrijden vonden in het weekend plaats en dan meestal in de ochtend. Kwam ik door de week thuis rond vijven, schoof dan rond half zes de warme prak naar binnen, kleedde me om en vertrok nog geen uur na thuiskomst voor een rondje rennen. Dat ging natuurlijk niet zonder slag of stoot. Kramp, misselijkheid, steken in de zij, ademnood, oprispingen van akelig, bijna giftig bruisend maagzuur. Nog net geen braaksel in de mond, maar kokhalzen, ja, veel en lang. Dom, maar ik ging door en verrek, het lichaam raakte er zelfs aan gewend. Zolang die eerste kilometer maar rustig werd afgewerkt. Dat kwam goed uit. De aanloop van huis naar mijn vaste ronde, de Ring om de stad van dik negen kilometer, mat immers ongeveer duizend meter. Toch bleef en bleek ik erg dom bezig, indachtig het toen geldende motto: no pain, no gain, next plane to Spain.
Ik trainde avond aan avond datzelfde rondje, dat is ook heel dom, ja, superdom. Ook deed ik in het weekend wel eens mee aan een trimloop of recreatieloop. Meestal rond de tien kilometer. Lopen in de ochtend was echt wennen. En na een vrijdagavondtraining verwachten dat je lijf de volgende ochtend rond elf uur als een goed geoliede machine nog eens om en nabij tien kilometer gezwind af zou kunnen leggen, is pure onnozelheid. Goed voor een enkele reis blessureland. Wonder boven wonder viel het mee qua letselleed. Wel leerde ik een ander fenomeen kennen. Een paar uur na het ontbijt hardlopen is geen goed idee, althans, het brak mij menigmaal op. Tijdens inspanning vragen je spieren meer brandstof, met name glucose, suikers. Er is veel bloed nodig om de spieren te bevoorraden en verbrandingsafval af te voeren, met als resultaat de rem op bloedtoevoer naar het spijsverteringssysteem. Want ja, je hebt maar een beperkt aantal liters bloed. Kwestie van prioriteiten. Ergo: de bloedsuikerspiegel daalt en dat merk je. De man met de hamer wil je slopen, pijnlijke confrontatie.
Wie slim loopt, vult zijn koolhydraten en elektrolyten onderweg regelmatig aan, ontdekte ook ik. Tot die tijd liep ik tijdens de hongerklop in een waas, klonken er holle voetstappen in mijn nog holler hoofd. Tijd vertraagde. Op die momenten dansten de smeltende klokken in de surrealistische schilderijen van Salvador Dalí voor mijn ogen. Ik heb nooit geblowd, maar ik kan me voorstellen dat een hypo in de buurt komt, wellicht minder prettig ook. Gelukkig greep het universum in en herstelde na een poos de balans.
Ik ervoer het vaak, ongetraind als ik was en onervaren in het aanpassen en bijtijds aanvullen van de reservetank. Destijds voelde ik me bijna de koningin in Sneeuwwitje die met geeuwhonger voor de spiegel staat en zich hardop afvraagt: ‘Bloedsuikerspiegeltje aan de wand, wie heeft de grootste hypo van het land?’
Drie keer raden.
Teskt: Sido Martens
Illustraties: Created by Gemini


