Gezondheid

Zo rondom de feestdagen zijn de meeste mensen wel ietsjes zwaarder dan gedurende de rest van het jaar. Veel atleten zijn zelfs ‘off-season’ zo’n 2 kg zwaarder. Deze schommeling in gewicht is heel gewoon, zolang deze maar niet te groot is. Een goede maat daarvoor is te kijken naar je BMI. Een veelgehoorde term, maar wat zegt je BMI eigenlijk? Deze week praat sportarts en medisch expert van hardlopen.nl Mirjam Steunebrink ons bij.

De body-mass index (BMI), ook wel queteletindex  (QI) genoemd (naar de Gentenaar Adolphe Quetelet (1796-1874) die deze index bedacht) geeft de verhouding weer tussen lengte en gewicht bij een persoon. De BMI wordt met name gebruikt om een idee te hebben of iemand overgewicht of ondergewicht heeft.

De interpretatie 

Volgens de richtlijnen dient de BMI tussen de 18.5 en 25 te liggen. Een waarde van < 18.5 zou duiden op ondergewicht bv door ondervoeding, een eetstoornis of door een ander gezondheidsprobleem. Boven de 25 spreekt met van licht overgewicht, boven de 30 van ernstig overgewicht, bij meer dan 40 van morbide obesitas en boven de 50 van superobesitas. Afhankelijk van geslacht en leeftijd gelden er verschillende richtlijnen.

Betrouwbaarheid  

Individuele verschillen in lichaamsbouw, (de verhouding van spier-,  bot-  en vetweefsel) worden niet in de berekening meegenomen. Dus erg betrouwbaar als maat voor overgewicht is de BMI niet. Een bodybuilder bijvoorbeeld heeft een hoog BMI (en dus in theorie overgewicht) maar doorgaans een zeer laag lichaamsvetpercentage. In de dagelijkse medische praktijk is de BMI een handige tool die in de algehele bevolking onderscheid helpt te maken in ondergewicht en overgewicht, maar bij sporters is meting van het lichaamsvetpercentage doorgaans betrouwbaarder als maat voor over- of ondergewicht.

Relevantie 

Wel is het zo dat het gewicht één van de belangrijkste factoren is die invloed heeft op de hardloopprestatie, en naast een goede training, zeker de belangrijkste is die we zelf kunnen beïnvloeden. Daarnaast is het belangrijk om óók naar het vetpercentage te kijken. Nogal wat lopers uit westerse landen hebben een relatief wat hoger BMI maar wel een laag lichaamsvetpercentage. Het aandeel van het spierweefsel dat ingezet kan worden is hierdoor groot wat voor een goede loopprestatie kan zorgen. Er is veel onderzoek gedaan naar het effect van de BMI op loopblessures, doch lijkt er geen significante relatie te bestaan tussen een hoger BMI en het risico op blessures.

Je kunt je BMI overigens zelf heel makkelijk berekenen door je lichaamsgewicht (in kg) te delen door je lengte (in meters) in het kwadraat: BMI= gewicht(kg)/lengte x lengte (in m).

Door Mirjam Steunebrink

Mirjam Steunebrink is sportarts bij Martini Sportmedisch Centrum in Groningen en Sportgeneeskunde Friesland en begeleidend arts tijdens juniorenkampioenschappen van de Atletiekunie. Mirjam is zelf een fervent hardloopster.